Zon op Snaterdak

Op een zachte ochtend kwam de zon langzaam op. Zij keek rond over de vijver. Daar zwom een kleine eend. De eend heette Didi. Didi had gele veren en een ronde buik. Hij zei: “Goedemorgen, zon.” De zon lachte warm terug. Alles werd licht, blij en goud.
Naast de vijver stond een lage boom. Aan de boom hingen rode kersen. Ze waren rond en glimmend. Didi keek omhoog. “Wat zijn jullie mooi,” zei hij. Eén kers viel zacht in het gras. Plop. Didi pakte de kers niet meteen. Hij dacht: “Misschien kan ik delen.”
Toen hoorde Didi een klein geluid. Het was geen kwak. Het was geen piep. Het was: ting, ting, laa. Onder de boom zat muis Momo met een viool. De viool was bruin en klein. Momo keek sip. “Mijn lied klinkt dun,” zei hij. “Ik speel liever samen.”
Didi waggelde naar Momo toe. “Ik ben jouw vriend,” zei Didi. “Ik kan kwakken bij jouw lied.” Momo glimlachte een beetje. Didi gaf hem de rode kers. “Voor jou,” zei hij. Momo nam een hapje. “Dank je,” zei Momo. “Nu voelt mijn buik blij.”
De zon scheen nog warmer. Didi ging naast Momo zitten. Momo streek zacht over de snaren van de viool. Ting, ting, laa. Didi deed mee: “Kwak, kwak, kwaa.” Het klonk grappig. Het klonk lief. Zelfs de kersen aan de boom leken een beetje te wiegen.
Daar kwam konijn Lila aan. Zij had lange oren en een wit staartje. “Wat een fijn geluid,” zei Lila. “Mag ik luisteren?” “Ja,” zei Didi. “En mag je dansen?” Lila danste rond de boom. Momo speelde. Didi kwaakte. De zon maakte een warme kring om hen heen.
Toen de dag zacht werd, zaten de drie vrienden dicht bij elkaar. Ze deelden nog meer kersen. Momo speelde een slaaplied op de viool. Didi legde zijn kopje op zijn vleugel. Lila geeuwde. De zon zakte laag en fluisterde: “Vrienden maken elke dag mooier.” En iedereen sliep tevreden.